Interview Evelien

Ruim 12 jaar geleden maakte ik als lid van het pastoraal team van het toen kersverse parochieverband IJsseldelta – de latere parochie Thomas à Kempis- kennis met onze nieuwe collega pastoraal werkster Evelien Reeuwijk. Ze kwam binnen en ik dacht, wat krijgen we nu! Zo anders dan wij, zo modern, haast hip! En ze was makelaar geweest, niet iets in onderwijs of zorg of zo…..En meteen daarop was er de gedachte: Wat een kans voor ons, zo’n anders-soortige pastor dan wij!. Nu nemen we afscheid van pastoraal werkster Evelien Reeuwijk en ik mag haar interviewen.

Evelien, hoe was die start voor jou, wat dacht jij toen je daar binnenstapte en wat verwachtte je?

Ik had het gevoel dat ik totaal niet beantwoordde aan het heersende beeld van een pastor. Ik had dan wel de opleiding gedaan en de door het bisdom gevraagde extra vorming, de zogenaamde Toeleiding, maar ik was vol twijfels; kan ik dit wel, wil ik dit wel, vind ik het wel leuk, pas ik wel bij dit team en in de parochie? Ik zag het als een grote vraag, én als een uitdaging.

Hoe is dat nu voor jou?

Ik heb het gevoel dat ik nog steeds niet beantwoord aan het beeld dat ik zelf heb van een pastor.

Hoe ziet dat beeld er dan volgens jou uit?

Hier schieten we samen in de lach….. Ja, nou, iemand die in één lokatie werkt en alle mensen daar kent en bij iedereen weet wat er speelt en dan altijd nabij kan zijn er rondloopt en overal aangaat. Zoiets, het ideaalbeeld van vroeger, toch ook. Het is maar goed dat ik daar niet aan beantwoord, anders had ik hier nooit goed kunnen werken.

Daar ben ik het roerend mee eens, maar wat was dan in deze omstandigheden voor jou de uitdaging?

De uitdaging is en blijft hoe je de wens en de verwachting van parochianen betreffende de pastorale nabijheid toch voor elkaar kan krijgen. In wezen ben ik ook iemand die beter haar pastorale rol kan vervullen als ik meer afstand heb, dat blijkt bij mij te passen. Ik heb die ruimte nodig om mijn pastorale taken en rol op me nemen.

Wat is die rol in jouw beleving?

Hier antwoordt Evelien met grote voorzichtigheid: God present stellen, het Woord toegankelijk maken en zo nabij mogelijk en verstaanbaar maken zodat je er zelf in kunt staan, ermee kan leven en werken. In mijn beleving is dat de eerste taak van de pastor. Dan is die persoonlijke nabijheid, in de zin van een ‘traditionele pastor die alles weet van die persoon, minder nodig. Immers, het gaat dan over de manier waarop iemand in de Schrift kan ‘staan’. Daar speel ik als persoon niet echt een rol in.

Hoe waren de verwachtingen van parochianen naar jou toe?

Ik denk dat de basisbehoefte van mensen niet is veranderd, men verwacht een pastor die er is en ondersteunt als het nodig is. ( net als het beeld dat ze boven zelf schetst) Maar ondertussen zijn de omstandigheden dus wel veranderd en ik merk dat mensen op voorhand bang zijn dat die pastorale nabijheid er niet zal zijn op het moment dat ze het nodig hebben. Dat is in essentie waar parochianen in alle lokaties tegenaan lopen.

Hoe ga je daarmee om?

Ondanks het enorm grote werkgebied, hebben tot op heden nooit ‘néé’ moeten zeggen als de vraag om pastorale nabijheid komt. Wie of waar het ook is. Maar het initiatief daartoe ligt bij mensen zelf, als dat even kan. En hierin zijn de pastoraatsgroepen, coördinatoren en bezoekgroepen heel belangrijk. Zij signaleren het wanneer parochianen een pastorale vraag hebben die ze niet zelf aan een pastor kunnen of durven voorleggen. Via hen komt de vraag dan toch bij ons/mij terecht. Maar áls mensen contact zoeken, dan weet je ook dat er echt iets speelt. En om dan God present te stellen, aandacht te hebben voor hun verhaal en vragen, dat blijft een uitdaging en prachtig om te doen. De druk om constant te presteren is daardoor wel groot geworden, verwachtingen liggen hoog en het is echt niet (meer) genoeg om gewoon even ergens een kopje koffie te gaan drinken. Een probleem is wel de bekendheid. Er zijn locaties waar ik soms in geen maanden kom. Een pastor is zo echt een voorbijganger geworden, iemand die een eindje mee mag oplopen en dan ga je verder.

Is er hierdoor verschil in de manier van werken voor jou in de diverse parochies?

Ik heb ruim 12 jaar in de Thomas à Kempisparochie gewerkt, vanaf dat het samenwerken begon in het parochieverband IJsseldelta. Ik werk nu 5 jaar in de Norbertusparochie en pas 3 ½ jaar in de Christoffel. Ja, dan is er zeker verschil. Ik merk dat er vanuit de Christoffel het minst een beroep op mij werd gedaan, ik kwam er te weinig, ben er niet bekend. Het is niet anders. In de Norbertus en de Thomas à Kempis heb ik naar mijn idee veel meer kunnen doen.

Wat springt er voor jou uit, terugkijkend op je werkzaamheden van al die jaren?

Wat mijzelf betreft, ik merk dat ik enorm gegroeid ben in de liturgie. Het kostte nogal wat tijd om mijn positie daarin te vinden en erop te vertrouwen dat het verhaal dat ik naar aanleiding van de Schrift te vertellen had, ook waardevol is. Dat de mensen in de kerk er echt iets aan hebben. Nu is dat vertrouwen er en ik sta er veel vrijer en losser. Ik geniet er ook zelf van.

Wat zijn de leukste momenten?

Terugkijkend zijn dat vaak de ontmoetingen na de vieringen, de reacties van de mensen in de kerk onder de koffie, de intense (korte) contacten. Prachtig, om dan gemeenschap te zijn, het samen-zijn. Dan is er iets gebeurd tijdens de viering, in mensen, dat ze geraakt mogen worden. Niet door mij hoor, maar door de liturgie. Andere kostbare, mooie momenten gebeurden vaak bij uitvaarten of in persoonlijke gesprekken.

En hoe zit dat met het opbouwwerk waarvoor je een speciale taak hebt?

Opbouwwerk is nog steeds leuk om te doen, maar er is ook veel te weinig ruimte voor om daaraan werkelijk te kunnen werken. Het gaat eigenlijk om alles wat de kerk draagt en schraagt; wat je opzet aan beleid, relaties, pastoraatgroepen, werkgroepen, bestuur, PR, oecumene en Communicatie.. al die dingen waardoor je als gemeenschap ook geloofsgemeenschap kunt zijn. Diakonie is daar belangrijk in want daarin voldoe je volgens mij aan waar het om te doen is. Het ‘Sjema Israel: Hoor Israël ..’

De tekst van het Shema – Deuteronomium 6:4-9

Hoor Israël, Adonai, onze G’d, Adonai is Eén. En gij zult Adonai uw G’d liefhebben met geheel uw hart en geheel uw ziel en geheel uw vermogen. En deze woorden, die Ik u heden gebied zullen op uw hart zijn. En gij zult ze uw kinderen inprenten en erover spreken, wanneer u in uw huis zit en wanneer u op de weg gaat en bij uw te ruste gaan en bij uw opstaan. En gij zult ze als een teken op uw hand binden en zij zullen tot voorhoofdstekenen tussen uw ogen zijn. En gij zult ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven.
Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief gelijk als uzelf. (Mar 12, 31)

Door die opdracht speelt de diakonie een grote rol. Vanouds had de kerk ook een grote diaconale functie. De kerk was verantwoordelijk voor de armenzorg, het onderwijs, de ziekenzorg. Die taken zijn in onze tijd overgenomen door de overheid, de staat. Daardoor is het nu zoeken naar dat wat diakonie inhoudt vanuit onze geloofsgemeenschap. Wat is dan specifiek onze bijdrage vanuit de kerk in alles wat al vanuit de samenleving wordt georganiseerd en opgepakt. Ik denk dat de vraag die we nu moeten stellen een andere is:

Wat is belangrijk als je als kerk aan diakonie doet?

We moeten meer naar de (gelovige) waarde erin zoeken en niet alleen maar mee liften met de een maatschappelijke organisaties als voedselbank. (Wat op zich uitstekende initiatieven zijn en van grote waarde voor velen!)

Wat ga je missen nu je vertrekt?

Ja, dat zijn toch wel de mensen met wie ik een band op heb gebouwd in al die jaren. Het gevoel van vertrouwdheid, de warme deken. Na al die jaren weet je ondertussen hoe het werkt, hoe de hazen lopen. Dat wordt straks weer anders.

Als je terugkijkt op deze ruim 12 jaar, heb je daar dan een woord voor?

Het is toch mijn groei in de rol van pastor zijn, dat is voor mij erg belangrijk geweest in het pastoraat.

Hoe is het voor jou persoonlijk gegaan, die groei?

Mijn eigen spiritualiteit ontwikkelen, dat was een hele zoektocht. Eerst heb ik heel veel gelezen en gestudeerd, ik heb er zelfs nog even over gedacht om te gaan promoveren op een studie over de aanwezigheid van de kerk in de samenleving… Maar dat is het niet helemaal. Het gaat uiteindelijk toch meer om hoe je zelf als mens staat in die Boodschap van Jezus. En dat heb ik geleerd door gebed, stilte. ’s Ochtends begin ik de werkdag met een half uur in stilte, om rust te vinden daarin. Het ‘Sjema Israel’ is daarin wel een soort ruggengraat van geloven voor mij. Daar kan ik eindeloos over mediteren, alle facetten ervan doordenken, het geeft me een goede steun. Theologische boeken lezen blijft ook inspirerend en leuk. Ik vind het een uitdaging om steeds weer andere visies, en vreemde wendingen tegen te komen in het denken van anderen en dan te bekijken of ik zo’n verhaal ook anders kan bekijken. Dat vind ik boeiend, steeds open staan voor nieuwe gezichtspunten, op andere gedachten komen.

Wat is het resultaat van je werk dat je achter gaat laten?

Het is wrang te zeggen, maar het woord resultaat is moeilijk. Veel van wat ik begonnen ben en opgebouwd heb, is inmiddels ook al weer afgebroken. Het was steeds maar weer proberen om mensen de verbondenheid met elkaar en met God en hun gemeenschap te laten ervaren en dat in een periode waarin die gemeenschap steeds minder is geworden en de schaalvergroting verbondenheid in de weg zit. Kijk alleen maar naar het team, met zo weinig professionals kun je haast niet meer bouwen. Leuke initiatieven ontplooien gaat gewoon niet meert. Alles wordt lastig en samen kijken naar de toekomst blijkt bijzonder moeizaam. Wat dat betreft is opbouwwerk een ondankbaar vak.

Hoe bedoel je opbouwwerk- ondankbaar?

Ik zou veel liever het woord “pastorale veranderkunde” gaan gebruiken, dat is een veel beter woord. Bij opbouwen denk je aan maken, bouwen, groter, meer, beter…. Maar dat is het niet langer. Het gaat om een andere vorm van kerk zijn, van geloofsgemeenschap zijn. De toekomst van de kerk in ‘veranderkunde’ gaat om een kerk van de toekomst. Eigenlijk is het ook triest, veel breekt je onder de handen af. Een pijnpunt dat daarbij komt is de bezuiniging op professionele pastores in plaats van op gebouwen. Je ondermijnt daarmee volgens mij de kracht van een geloofsgemeenschap. Houd de gemeenschap levend en ik denk dat daarvoor professionele krachten nodig zijn

Dus waar investeer je in?

Is dit toch ook een tijd van oogsten voor jou, Evelien?

stralend… Jawel! Dat mensen nu zeggen wat je anders nooit hoort, dat ze je waarderen, bedanken voor wat ik voor ze heb mogen betekenen, heel kostbaar vind ik dat.

Waarom ga je weg?

Ik ben hier nu twaalf jaar en door de voortdurende veranderingen in het werkgebeid is het nooit saai geworden of zo. Maar ik merk nu toch wel dat ik aan iets nieuws toe ben.

Waarom ga je naar Raalte-Deventer en omgeving?

Toch een beetje praktisch denken, het is in de buurt, ik kom ook in een groot team te werken, daar heb ik zin in. Er was daar behoefte aan iemand die opbouwwerk wil doen, die pastorale veranderkunde. Ik vind dat nog steeds een leuke en uitdagende opdracht. Ergens blijf ik toch in de huizen zitten… huizenbouwer voor de ziel.

En zo eindigt ons gesprek waar het begon, met de huizenmakelaar, bemiddelend tussen kopers en verkopers, die een ander bouwproject begon: bemiddelen tussen God en mensen. Eerst in onze parochies, nu in een ander werkgebied. Maar ze blijft een bouwer, Evelien!

Dit interview werd gehouden door Marie-José Dusseldorp, de naaste collega van Evelien tijdens haar eerste werkfase.

Reacties zijn gesloten.