Thema Pinksteren

Van Goddelijke Vonk tot Uitslaande Brand

pinksteren1Men zegt van God dat hij bij de schepping van de wereld een vonk van zichzelf in de schepping wilde leggen. Maar waar moest die dan komen? Op een plaats waar de mensen ze zouden kunnen vinden. Dus niet op de bodem van de oceaan of op de toppen van de Himalaya. Maar het mocht ook weer niet te gemakkelijk worden om ze te vinden. Want, zo dacht God, wat te gemakkelijk te vinden is, is voor de mensen te banaal. Daarom legde hij zijn goddelijke vonk in het hart van ieder mens. Op die manier zouden de mensen ze altijd met zich meedragen. En zo gebeurde het.

Maar God wist dat de mensen zijn vonk niet gemakkelijk zouden herkennen. Want ze kijken weinig in hun eigen hart. Ze lopen aan zichzelf voorbij. Ze verliezen zich in de drukte en het lawaai van de wereld, in de dagelijkse zorgen en beslommeringen. Terwijl je die vonk van God maar kunt zien en voelen als je de stilte opzoekt. Als je ook je eigen innerlijke lawaai stil kunt leggen en tot op de bodem van je hart kunt afdalen.

Dichtbij dus is de vonk, in ons eigen hart, maar toch moeilijk te vinden. Dat wist Paulus ook al, toen hij in zijn brief aan de Romeinen schreef dat de Geest in stilte in ons spreekt met onuitsprekelijke verzuchtingen. En ook Augustinus wist van wanten, toen hij ontdekte dat God hem intiemer was dan zijn eigen intimiteit. Hoe is het mogelijk, zegt hij in zijn ‘Belijdenissen’: “Gij God waart binnen en ik was buiten. Gij in mij, maar ik verloren in de drukte, buiten mijzelf, in het lawaai van de wereld”.

Ja, de Geest van God is met het diepste van onszelf verweven. Hij ademt in onze adem. De heilige Geest: dat is God van de binnenkant. De Geest die in ons binnenste de goddelijke vonk aanwakkert en tot ontbranding brengt.

Die Geest heeft ook de twaalf apostelen bewerkt. En dat hadden ze ook nodig. Hoe ontredderd waren ze niet na de verrijzenis, angstig en verkrampt gebarricadeerd in zichzelf, onbereikbaar, gevangen in het trauma van Jezus’ dood. Hoe bang waren ze niet voor wat er kon gebeuren, hoe afwezig was het vertrouwen, hoe klein en wankelbaar hun verrijzenisgeloof. Maar de Geest heeft hen ingrijpend veranderd. Want de Geest is het licht in ieder mensenhart. Hij is ieders grote trooster. De aangename gast van je ziel. Een heerlijke verkwikking. Een rustpunt als je geestelijk uitgeput bent. Een beschutting tegen de hitte van de zon. Een balsem voor je gewonde ziel. Dat alles is en doet de heilige Geest. En dat zijn geen beweringen in het wilde weg; het zijn de woorden van het Gregoriaanse ‘Veni sancte Spiritus’ van Pinksteren.

En kijk dan eens naar de twaalf apostelen in de lezing van daarstraks. Wat zijn ze veranderd : eerst zo schuw en bang, en vandaag zo moedig en sterk te midden van de menigte op het tempelplein. Met een vertrouwen en een overtuigingskracht waartegen geen enkele taalbarrière bestand is. De schuchtere goddelijke vonk in het diepste van hun ziel is een uitslaande brand geworden. Vurige tongen zetten zich op hen neer, zegt de lezing van vandaag. Zij spreken met een heilig vuur. Dat is Pinksteren: de Geest die de vonk van het godsverlangen in ons aanwakkert tot een uitslaande brand. Die je de kracht van de overtuiging geeft. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.

Overdrijf ik met te zeggen dat de Geest vandaag de dag een zwaar programma heeft? Als wij de Westerse Kerkgemeenschap – ook hier in Nederland – eerlijk bekijken dan moeten we ons toch wel afvragen waar de tongen van vuur zijn. Wij, Westerse christenen van vandaag, lijken meer op de apostelen door bang weg te kruipen in onze krimpende gemeenschap, dan wel op de twaalf die het tempelplein oprenden om te midden van de mensen gloedvol hun verhaal te doen.

Hoe komt dat nu? O ja, we willen beleefd blijven en onze mening niet opdringen. We zijn toch zo voorkomend en tolerant in die pluralistische maatschappij van ons. We buigen als een knipmes voor hen die een andere overtuiging zijn toegedaan. En uiteraard moeten wij iedereen respecteren in hun overtuiging. Maar maken we het ons niet wat gemakkelijk? Is er met dat ‘respect’ ook niet een stuk identiteitsschaamte gemoeid? Is de vlam er nog wel? Pinksteren roept ons op om de catacomben te verlaten en ons met overtuiging te tonen aan de anderen. Christenen zijn maar christenen als zij zich laten zenden en durven getuigen van het vuur dat hen in brand heeft gestoken.

Zoals ik daarnet al zei: waar het hart van vol is loopt de mond van over. De mond kan dus maar overlopen als het hart vol is. En is ons hart wel vol? De volheid van het hart is het werk van de Geest. Alleen als hij ons verkilde hart verwarmt, als hij onze stramheid soepel maakt, als hij onze dorheid bevloeit, als hij de gids is op onze levensweg, als hij ons zijn zeven gaven meedeelt, dan zal ons hart volstromen en zal onze mond overlopen. Dan pas gaat het geloof leven en wordt het aantrekkelijk voor anderen, zonder opdringerige drammerigheid en betweterij.

Pinksteren moet ons weer brengen tot spiritualiteit. Spiritualiteit heeft te maken met ‘spiritus’, met de werking van de Geest. Laat ons openstaan voor de stilte, voor de inkeer, om de goddelijke vonk te ontdekken. De stilte zoeken in je eigen leven en je de vraag stellen: Ben ik wel goed bezig? Wie ben ik? Waar ga ik naartoe? Waar vind ik de volheid van het leven? Waar is de vonk in mij die een brand kan worden? Kom, Heilige Geest. Kom, Trooster. Kom, volheid.

pinksteren2

Reacties zijn gesloten.